Week 7: Gastvrij Brazilië laat niet los!

In Poconé hebben we 4 Fransen ontmoet die met een truck en een Landrover rondrijden. Ook komen we twee Duitse dames tegen in een Volkswagen-camper. Ze zijn resp. 2 en 3 jaar onderweg. Wij zijn de eerste Hollanders die de Duitsers tegenkomen. Ze hebben veel tips over Bolivia en de grensovergang voor ons. Als we dinsdag de 23e richting Porto Jofre rijden komen we ze weer tegen. Porto Jofre ligt aan het einde van de Transpantaneira. Dit is een onverharde weg van 150 km met 122 houten bruggen. Verder kom je met een auto de Pantanal niet in.

Aan het einde staat Hotel Porto Jofre en is er, zo hebben we gehoord, een camping. We doen het rustig aan om zoveel mogelijk te zien. Aan het begin van de weg zien we werkelijk honderden kaaimannen. Het is nu zo droog, dat er nog maar weinig water is en daar waar nog iets water is, liggen ze allemaal. Indrukwekkend. Verderop zien we een nest van een Tuiuiui met jongen erin (en tot onze verbazing een bus Chinezen ernaast). Ook zien we een slang de weg oversteken en als we langzaam een brug passeren, zie ik nog net een jaguar bij het water weglopen, WOW! Het landschap verandert langzaam van savanne, naar droog bos en natte graslanden. Vlakbij Porto Jofre is het heel groen. We komen zowaar zelfs een eenzame fietser met bepakking tegen, da’s dapper!

Als we in Port Jofre aankomen, vinden we op aanwijzing van Dirk en Marieken, de camping. De zoon spreekt inderdaad een beetje Engels en doet enorm zijn best. We zoeken een mooi plekje aan het water. Helaas zijn de toiletten echt vies en als ik hem er op aan spreek, dan zegt hij dat de cleaning lady ontslagen is en dat er nu niemand schoonmaakt. Even later zien we drie mannen toch de toiletten ingaan. Schoonmaken betekent hier echter alleen vegen en de emmertjes met toiletpapier legen (dat gooi je hier niet in het toilet). Het is er slechts iets beter op geworden. We ontmoeten later ook de vader Francisco. Het is heerlijk om aan de rivier te zitten en te kijken. Bootjes varen af en aan, vooral met rijke toeristen die voor 400 R$ zich naar de jaguars laten varen. We spreken een Italiaan en enkele Amerikanen met hele grote lenzen. Na een gebakken koteletje en koolsalade lezen we nog wat, douchen we warm en gaan naar bed.

De volgende ochtend worden we vroeg wakker van de opkomende zon boven de rivier en de vele vogels die hier rondvliegen. Er vliegen twee prachtig blauwe ara’s rond, die geduldig voor de camera gaan zitten eten. Ara’s vliegen in paren en dat is een prachtig gezicht met die lange staarten. We rekenen af en tot onze verrassing begint de zoon zelf over de korting die Dirk voor ons bedongen heeft. We betalen dus 15R$ pp. i.p.v. 20. Bedankt, Dirk! We rijden nu met flinke snelheid terug, want dan ‘vliegen’ we als het ware over de wasbordribbels en merk je er minder van. We stoppen onderweg om een filmpje te maken voor Karin en Kees die vrijdag gaan trouwen. Ik neem Joost in beeld naast de kaaimannen, zogenaamd op zoek naar een geschikte locatie voor hun huwelijksreis.

Via Poconé rijden we naar Cáceres, de laatste plaats voor de grens met Bolivia. Daar komen we rond 14 uur aan, doen boodschappen en tanken diesel en water. Van de Fransen hebben we gehoord dat je heel goed kunt staan bij Sematur. Dit is de organisatie die toerisme bevordert voor de gemeente Cáceres. Als we er aankomen worden we gastvrij onthaald door Julio. Hij spreekt alleen Portugees, maar legt ons uit dat we naast het gebouw onder bomen mogen overnachten, en laat ons het toilet met douche en de keuken zien. Ook krijgen we de sleutel voor de WIFI verbinding. En dit alles is gratis! Wat een traktatie voor de ware Hollander. Even later komt een mevrouw langs om te vertellen dat er in de buurt Hollandse fraters wonen, die het leuk zouden vinden om Nederlands te spreken. En ja hoor, als ik net zit te Internetten, komt broeder Matheus aan. Het klikt gelijk en met een biertje wordt het snel gezellig. Even later komt Sandro erbij, de secretaris voor toerisme van de gemeente (zeg maar wethouder). Hij lust wel een wijntje. Even later komen ook zijn twee assistenten erbij en de vrouw van de assistent, want die spreekt een beetje Engels. Het is reuze gezellig en we maken foto’s. Broeder Matheus blijkt een Brabander en 5 van de andere Franciscaner broeders van Huijbergen ook (o.a. Soerendonk, Zundert, Budel). Ze nodigen ons graag uit om 2 nachten te komen logeren. Dan hebben we een echt bed en een douche. Dat slaan we niet af! Sandro spreekt ook Spaans en dus kan ik redelijk met hem praten. Hij nodigt ons uit om bij hem te komen eten vrijdag. Wat een warmte! Bovendien is het deze dagen feest in Cáceres, het fiësta van São Luis, en dan rijden we toch niet door? Hij heeft het tot zijn doel gemaakt om toeristen die op doorreis zijn, langer te laten blijven in de stad. De Fransen zijn hier zelfs 18 dagen gebleven. Dan stellen we de reis naar Bolivia maar even uit. ’s Avonds is slapen lastig. De warmte van overdag (37 graden) blijft lang hangen en we sluiten zelfs de plafondventilator maar aan. Tijdens het eten komen  er kleine aapjes kijken of er wat te halen valt.

Donderdag de 25e is een feestdag en Cáceres lijkt uitgestorven. We maken nog een filmpje voor Karin en Kees, maar dan met z’n tweeën. Ook met een goede WIFI-verbinding duurt het uploaden 45 minuten! Hoera, we horen dat onze voordeur in Oosterhout weer open kan. Rond 11 uur komen we aan bij Instituto Santa Maria. Dit is een flink terrein waarop een school staat en het fraterhuis. We maken kennis met broeders Matheus (75), Grignion (82), Bertrand (84) en Lambertus (72); de andere twee zijn in Nederland. Het grote huis is keurig ingericht in een jaren 50 stijl met mahoniehouten meubels en het is er koel. We kunnen gelijk meelunchen. ’s Middags eten de broeders om ½ 12 warm en om half 6 brood. Het eten smaakt heerlijk. Br. Lambertus vraagt of we willen blijven overnachten en laat onze kamer zien. Het is een ware grote hotelkamer met airco en eigen badkamer; wat een luxe! Na het middagdutje gaan we met Br. Matheus op pad; Joost rijdt. Hij laat ons in 2 ½ uur alle kanten van Cáceres zien: de goudkust, de nieuwe wijken, het afgekeurde vliegveld, de universiteit en het platteland eromheen. In doorsnee is de stad Cáceres 15 kilometer; de gemeente is echter heel erg groo; het bisdom is als België en Nederland samen. Om half 5 moeten we terug zijn voor de kippen. Ieder heeft zijn taak. Br. Matheus was leraar en zorgt nu voor de kippen, de waterzuivering (een ingenieuze installatie met zand en kiezels) en de tuin. Br. Lambertus beheerde de timmerwerkplaats/school en doet nu de inkopen. Br. Bertrand was de bouwvakker en Br. Grignion is de enige pater van het gezelschap, verzorgt nog missen en zegent wel eens wat lijken. Vier persoonlijkheden allemaal met hun eigen humor; ontwikkelingswerkers avant la lettre.

Na de broodmaaltijd verdwijnen Br. Lambertus en Grignion omdat ze een taak hebben in de kerk. Bij het feest van São Luis hoort een processie en is er ’s avond een kraampje met zoetigheid dat bemand moet worden. We raken aan de praat met Br. Bertrand (84 jaar!). Hij is in 1958 hier aangekomen en samen met 2 anderen begonnen op verzoek van de Franse bisschop destijds. Belangrijkste doel was het bouwen van een school en het herstellen van het dak van de kathedraal. In het begin was Cáceres heel klein en omgeven door dicht bos en water. Bouwmaterialen moesten van ver komen. Grote keien van de bergen bij Cuiaba (250 km), cement met de boot uit Corumbá (400 km), glas en metaal uit São Paulo (2000 km). Van oorspong is broeder Bertrand tuinier en dus moet hij het bouwvakken ook nog leren. En passant komt hij onder een brug een leprapatiënt tegen en gaat hem behandelen. Daarna komt er een hutje en nog wat patiënten en zo is het idee geboren voor het ziekenhuis O bom Samaritan (de goede Samaritaan), gespecialiseerd in huidaandoeningen. Hij is er maar wat trot op en somt daarna nog een hele lijst met gebouwen en zelfs fabrieken op (110 stuks!) die hij heeft gebouwd. Indrukwekkend. Het ging natuurlijk niet van een leien dakje. Ze spraken de taal niet en er was gewoon erg weinig in Cáceres. Op enig moment gaat hij terug naar Nederland en wil eigenlijk niet meer naar Brazilië. De overste weet hem te overtuigen. Hij heeft nog veel meer verhalen o.a. over het reizen met de boot naar Nederland. Nu heeft hij sinds twee jaar Parkinson en is al een paar keer gevallen. Dat valt hem zwaar, want hij heeft zijn leven niets anders gedaan dan werken.

Met Br. Matheus gaan we nog even kijken bij het feest op het plein. We lopen wat rond en vinden het kraampje waar Br. Lambertus helpt om zoetigheidjes te verkopen voor het goede doel. We nemen een biertje en luisteren naar het concert van Antonio Alves. Antonio heeft ’s middags een auto-ongeluk gehad, maar dat weerhoudt hem er niet van een meezingoptreden te geven (soort Guus Meeuwis). Al snel hebben we in de gaten dat het behoorlijk religieus is en enkele mensen om ons heen zijn serieus in een andere staat. Er horen ook danspasjes bij. Volgens Lambertus is het niet echt een warme persoonlijkheid. Hij heeft tevergeefs geprobeerd een gesprekje met hem aan te knopen. Wij zitten lekker mensen te kijken, want de muziek staat zo hard dat praten met broeder Matheus eigenlijk niet gaat. We zien veel paraderende paartjes en etende dikke mensen. De bevolking is enorm divers qua huidskleur en afkomst. De sfeer is prima en relaxed. We vallen heerlijk in slaap op een lekker bed in een koele kamer dankzij de airco.

Vrijdagochtend slapen we uit (tot 8 uur!) en na het ontbijt biedt Br. Lambertus aan ons naar de Policia Federal te rijden om een uitreisstempel te halen. De agent durft voorzichtig te zeggen dat we de grens wel over kunnen (geen garanties) en even later hebben we keurig een stempel in ons paspoort gedateerd op zaterdag. Daarna wijst hij ons de weg naar de douane. Ook daar jonge mensen die ons efficiënt helpen en even later staat we met een exportdocument voor de auto weer buiten. We grappen dat de broeders wel een begeleidingservice kunnen beginnen voor toeristen; je kunt beter het telefoonnummer van de broeders van Huijbergen in je zak hebben, dan die van de ambassade! Joost knutselt nog wat aan de auto en na de weer voortreffelijke lunch (met rijstpudding toe!) neemt Br. Lambertus ons mee naar de kathedraal en het ziekenhuis dat Br. Betrand gebouwd heeft. In de middag wandelen we zelf nog even rond en gaat Joost naar de kapper. Het is bloedheet (38 graden) en erg droog en een koude douche is welkom. Als we thuiskomen ligt ons beddengoed gewassen op de trap; wat een service. ’s Avonds kletsen we wat met Br. Grignion en gaan we nog even langs bij Br. Lambertus op het feest, want hij moet “werken” = zelfgemaakte bonbons verkopen voor het goede doel in een vreselijk T-shirt. Onder het genot van dansuitvoeringen op het podium drinken we een batida (milkshake) met wodka en kopen wat mooi gemaakte bonbons voor onderweg.

Zaterdag is het tijd om naar Bolivia te gaan. We hebben enorm genoten van de vanzelfsprekende gastvrijheid en de opmerkelijke verhalen van de broeders. Zij vonden het ook gezellig (zo heb je es “andere praat”). Het is niet niks als je op jonge leeftijd naar een uithoek van Brazilië wordt uitgezonden, met een paar vreemden in een huis komt te wonen, dag in dag uit moet werken en eens per 3 jaar met verlof naar Nederland mag (was ooit 10 jaar!). Dat dwingt respect af. Het trieste is dat ontwikkelingswerk in deze vorm uitsterft. Alle broeders van Hijbergen zijn op leeftijd en er is geen nieuwe aanwas. De school, het ziekenhuis, het bejaardentehuis, het invalidenhuis, de timmerwerkplaats, alles wordt overgedragen. Feit blijft dat ze veel voor Cáceres hebben gedaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s